Stelling 6 Nieuwe Verbond heft de blijvende geldigheid van de Thora niet op, doch vernieuwt haar juist

6a) Wij geloven niet dat het Nieuwe Verbond inhoudt dat de Thora voor de gelovigen uit de heidenen geen geldigheid of nut meer heeft. Integendeel, zij komt nu pas tot haar doel.[1] Het Nieuwe en betere Verbond is een vernieuwing van het Oude en niet een afschaffing daarvan!

Let wel dat Jeremia (31:31) profeteerde, dat JHWH het Nieuwe Verbond met het huis van Israël en het huis van Juda zou sluiten en niet met de kerk (gelovigen uit de volkeren). Het nieuwe verbond laten starten met de kerk doet te kort aan Gods beloften aan het huis van Israël en het huis van Juda. God bouwt vooral op een reeds bestaand verbond, waaraan de gelovigen uit de volkeren in Jesjoea ook deel aan mogen krijgen. Vergelijk vooral Hebr. 8:8 en 10, waar deze profetie wordt geciteerd en vervolgt: “Want dit is het verbond, waarmee Ik Mij verbinden zal aan het huis van Israël na die dagen, spreekt Jahweh.” De gelovigen uit de volkeren mogen wel daarin delen, maar niet in plaats of ten koste van Israël, dat nog steeds hetzelfde verbondsvolk is!
Als Jesjoea bij de instelling van het avondmaal spreekt over het ‘Nieuwe Verbond in Mijn bloed’, moeten wij bedenken, dat Hij hier een verband legt met de offers met het ‘bloed der besprenging’ uit het Eerste Verbond (Hebr. 12:24!). Het Nieuwe is dan, dat de toegang tot ditzelfde verbond nu anders is, nl. door Zijn bloed!

Messiaans Joden leggen vaak de nadruk op het vernieuwende aspect van het nieuwe verbond om maar te voorkomen, dat er sprake is van vervanging van het Oude Verbond. Een nieuwe auto is immers nog steeds een auto! Doch wat zo onderbelicht kan blijven, is dat er wel degelijk iets nieuws is aan dit verbond: de wet die eerst op tafelen werd geschreven en bewaard werd in de Ark als verbondskist, wordt nu geschreven op ons hart. En is het niet merkwaardig en met reden dat de Ark vanaf koning Josia (of misschien al eerder tijdens koning Manasse) niet meer aanwezig was (nadat hij het Verbondsboek had teruggevonden) en de profeet Jeremia zegt dat aan de Ark niet meer gedacht zal worden: 3:16 En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt JHWH, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van JHWH. Zij zal niet meer in het hart opkomen. Men zal er niet meer aan denken en niet meer naar haar omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.

De werkwijze van het verbond is wèl veranderd. Niet langer op basis van de toetreding tot het ‘Sinaïtische verbond‘, maar volgens de nieuwe gehoorzaamheid. Er zijn geen herhaaldelijke offers meer nodig voor de bewuste of onbewuste overtredingen van het volk (zoals tijdens de Grote Verzoendag). Jesjoea heeft een volmaakt offer gebracht, eens en voor altijd. Er is ook geen uitgebreid priesterschap meer nodig om de offerdienst gaande te houden. Jesjoea is nu de volmaakte hogepriester die het hemelse heiligdom is binnengegaan, eens voor altijd. Dat zijn de elementen van de 2e verbondssluiting bij de Sinaï (Ex. 33-34), die aldus Hebr. 8:13 zijn ‘verdwenen’.[2]

Opvallend is wat David Stern ontdekte bij zijn Jewish New Testament-vertaling van Hebr. 8: 6 Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd.

Ten onrechte werd bij de vertaling van ‘nemoqethai’, (een samenstelling van nomos en tithemi) in Hebr. 8: 6 gedacht aan Grieks of Romeins recht. Vergelijk vertaling Herziene SV ‘een verbond is vastgelegd’, en de NBV met ‘wettelijke grondslag heeft gekregen’ en de NBG met ‘rechtskracht berust’. Aangezien de brief gericht is aan Hebreeën oftewel Messiasbelijdende Joden, moet juist gedacht worden aan “het geven van de Thora”, net zoals ditzelfde woord in Hebr. 7:11 voorkomt en daar vertaald wordt met “de wet die het volk ontving”. Dat betekent dus, dat het nieuwe verbond gegeven is als Thora!

Als in Hebr. 8:13 Jesjoea spreekt van een nieuw verbond [Jeremia 31:30-34], heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.Net zoals Jesjoea’ s komst door de Hebreeën-schrijver verwacht wordt, doch nog niet is gekomen, zo ook is het oude nog niet echt verdwenen. Hij doelt op de tempel met zijn systeem van priesters en offers, die op het moment van schrijven – voor de Joodse oorlog van 66-70 – nog in functie waren!

Wat de Thora vervolgens wel en niet inhoudt en betekent, kunnen wij elke week leren tijdens bijeenkomsten van onze Messiaanse medegelovigen en van hun publicaties. Wij willen daartoe stimuleren door het volgen en organiseren van cursussen over Bijbels Hebreeuws of de Joodse wortels van het christendom.[3]

Een heel toegankelijk boekje hierover is “Vrij van de Wet?”[4], geschreven door drs. Esther Noordermeer waarin zij betwijfelt of het dogma dat wij sinds Christus niet meer onder de wet zijn, wel zo’n logische conclusie is. De lezer krijgt inzicht in de algemene oorzaken van misinterpretaties van de Schrift, maar ook in wat dogma’s bewerkstelligen in het hart van gelovigen en de gemeente. Het doel van de wet wordt helder. Wij spreken overigens liever van Thora dan van wet. Wet is respectievelijk via de Latijnse vertaling en Griekse vertaling onze Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse woord Thora. In het Hebreeuws heeft dat woord echter een andere connotatie. Thora gaat terug op de stam jara, dat doeltreffen betekent, zoals een pijl zijn doel bereikt. Thora is derhalve middel om tot een doel te komen en wordt daarom ook wel omschreven als onderricht. Om Gods doel met ons te bereiken, is het wel zaak te doen en te horen, al wat de Aanwezige heeft gesproken (Ex. 24:7) en dus niets afdoen of toevoegen van Zijn Thora, die Eeuwig is.

Een andere nuttig boek over dit thema is “De ToraOntdek wat de eerste vijf boeken betekenen voor de gemeente en voor u”, van de Messiasbelijdende Joden Ariel & D’vorah Berkowitz[5], uitgegeven door First Fruits of Zion. Op Thora voor christenen van InfoNu[6] vindt u een samenvatting van het boek en in het artikel Waarom Joodse gelovigen de Thora zouden volgen wordt hoofdstuk 5 van het boek samengevat.


Willem J. Ouweneel heeft ook over dit thema een boek gepubliceerd, met de titel “Hoe lief heb ik uw wet! – De Eeuwige Torah tussen Oude en Nieuwe Verbond.”[7] Doch volgens de bedelingenleer wordt ook nu opnieuw de Thora onderverdeeld en wel in drie delen of gestaltes van de Eeuwige Thora: een Mozaïsche, Messiaanse en Millenniale. Voor een kritische beschouwing, verwijs ik graag naar een recensie[8] van een Messiasbelijdende Jood uit Alblasserdam. Hij concludeert: Deze onderscheiding is niet vanuit God beredeneerd, maar een poging van de arme mens om op basis van ogenschijnlijke onderscheidingen een nieuwe Leer te brengen in een nieuwe ‘bedeling’. Hij gebruikt deze onderverdeling om uit te leggen, dat volgens hem gelovigen uit de heidenen geen Thora hoeven te onderhouden (wat toch een voorrecht is).

Priesterschap als Bijbels verstaansmodel.

Het is de overtuiging van Edjan Westerman dat in de woorden van Ex. 19 de roeping van Israël ligt om een koninkrijk van priesters te zijn te midden van de volken. Dit zou ons een verstaansmodel kunnen verschaffen om de relaties te verstaan tussen Israël en de volken, zowel voorafgaand aan de verschijning van de Messias als ook in en na zijn komen. Deze karakterisering van het bestaan en de taak van Israël reikt ons bovendien de sleutel aan om de relatie aan tussen de thora van Israël en de thora van de volken te verstaan.[9] Zelfs vindt Westerman hier een sleutel om ook de relatie tussen de boodschap van Tenach en die van de Schriften van het Nieuwe Verbond beter te begrijpen.[10] Eerst geeft God zijn volk de Thora en zijn verbond (Ex. 20-24). Vervolgens is het allereerste de opdracht tot het maken van de Tent. Het hart van Israëls volksverstaan en van zijn legerplaats is immers de Heilige God zelf! Hij bepaalt allereerst zijn eigen plaats en Woning. Pas daarna worden Hem ook de priesters voor Israël toegewezen. Dan wordt duidelijk dat binnen de ruime cirkel van het gehele volk kleinere cirkels worden getrokken Uit het volk worden de Levieten afgezonderd. En uit levieten kiest God Aäron en zijn zonen om voor Hem priesters te zijn. Zo ontstaat er in het midden van het volk, in het midden van het kamp van Israël, een zichtbaar en levend ‘leercentrum’.  Het Huis van God met zijn dienst. En daaromheen het huis van Aäron als Gods ‘levende huis van onderricht’. Dit reële kamp van Israël in de woestijn werd zo ook een model, een blauwdruk van de door God gewilde en bepaalde onderlinge betrekkingen op zijn aarde. Het midden was de Woning van God. De binnenste kring van priesters en Levieten om de Tent vormde de uiterst werkelijke afbeelding van de plaats van het priestervolk te midden van de wereld. De buitenste kring van stammen in groepen van drie gelegerd in de vier windrichtingen was zo ook het beeld van de (brug naar de) volken om het uitverkoren volk heen.

In de latere ‘inrichting’ van het land is de Tempel in Jeruzalem het allesbeheersende centrum van het beloofde land. Om de Tempel heen ligt Jeruzalem, dat weer omringd is door de stamgebieden. Ten slotte wordt het land weer omringd door de volken. Vergelijkbaar kunnen ook binnen de Thora ‘cirkels’ aangewezen worden, die parallel lopen aan de onderverdeling die God aanbrengt in het kamp. Allereerst is er de thora voor de priesters en het Heiligdom met alles wat betrekking heeft op het functioneren van de priester en hun taken. Vervolgens is er de thora voor heel Israël. Hierdoor wordt dit hele volk inclusief de priesters apart gezet in de kring van de volken. Er is in de geboden wetsvervulling eenheid en onderscheid tussen priesters en het gehele volk. Ten derde zijn er die geboden die Israël deelt met alle volken. Israël is uit de volken gekozen en toch een van de volken. Daarom deelt het ook in de aan volken gegeven thora terwijl het tegelijkertijd een ‘eigen’ thora ontvangt, die speciaal gericht is op het leven als priesterlijk volk. Ten slotte is er voor diegenen uit de volken die – als ‘vreemdelingen onder u’ – wonen in het land een kleinere categorie van geboden en verboden die te maken hebben met het delen in het leven van Israël en het rein houden van het land.[11]

Grootste deficiëntie van de christelijke theologie

6b) Daarbij geloven wij dat Jesjoea niet kwam om de Thora af te schaffen, doch om die te vervullen. Wij geloven dat elke jota en tittel zijn betekenis heeft.

Een van de grootste hindernissen voor Joodse mensen van het Evangelie is een gebrek aan een correcte, heldere theologie van de Wet/Thora van zowel Messiaanse Joden als christenen. Voor de laatsten is het een grotendeels onbekend terrein, dat zijn oorzaak ook vindt, in de misvatting dat Paulus gezegd zou hebben, dat de Thora niet langer van kracht is.
Sinds Maarten Luther schreef over de verhouding van Wet en Evangelie is er de gevleugelde uitspraak: “dat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder genade”, die daarmee wil communiceren, dat de wet (Thora) niet meer van toepassing is. Deze drogreden wordt gebaseerd op een aantal Bijbelteksten:

Romeinen 6:14 Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. (HSV)
Vergelijk echter JNT, die vertaalt: “Want jullie zijn niet onder wetticisme, maar onder genade

Dat Jesjoea aan de eis van de wet heeft voldaan, bevestigt dat de wet rechtvaardig is, niet dat Hij die wet heeft opgeheven. Zolang niet aan de eis van de wet was voldaan, stond iemand ‘onder de wet’, tussen zijn veroordeling en het volbrengen van de volledige straf. Het onder toezicht of ter beschikking stellen (tbs) is in Christus voorbij, omdat hij alle straf gedragen heeft tot en met de doodstraf.

Rom. 7:6 Maar nu zijn wij ontslagen van [dit aspect van] de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

Dit duidt erop dat we ontslagen zijn van de oude manier van dienen, volgens het rituele deel van de wet met zijn voortdurende offers. De Geest heeft niet de letter van de wet vervangen, doch door de Geest kunnen we anders omgaan met de letter.

Rom. 7:12 Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Rom. 8:2 Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.

Deze wet van zonde en van dood duidt op de wetmatigheid na de zondeval van onze gevallen natuur, het denken van ons ‘vlees’ (vgl. Rom. 8:7) en niet op de Thora die op de berg Sinaï werd geopenbaard. Dit vlees gaat tegen de wet van God in, dat wel op de Thora wijst. Paulus zegt daarom ook, dat wij slaaf zijn van de zonde. Zo staat de wet van de zonde (Rom. 7:22) tegenover de wet van God. Wij worden dus niet vrijgemaakt van de Thora, maar van de wet van de zonde en van de dood.

Is de wet aan het kruis genageld?

Kol. 2:14 door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen. (NBG)

Voor het woord bewijsstuk (cheiron) heeft de HSV handschrift, het Boek strafblad, NV document met voorschriften en WV oorkonde met al haar bepalingen.
Deze vertalingen wekken de indruk dat het om de voorschriften of bepalingen zelf gaat, die nu van de baan zouden zijn, doch het gaat zoals NBG juist vertaalt om het bewijsstuk, waardoor wijzelf een strafblad hebben. Dus niet de wet is fout, doch wijzelf. Dat wat tegen ons getuigt, onze overtredingen zijn aan het kruis genageld!

De wet is volmaakt, doch er is één ding dat de wet niet kan

Met die Thora zelf is dus niks mis mee. Zij is zelfs heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Rom. 7:12 Er is alleen één ding dat zij niet doen kan. Zij kan niet maken dat wij ons daaraan ook houden, ook al beloven wij nog zo plechtig dat te doen. Daarvoor is niets minder nodig dan de genadegave van Gods Geest, die Zijn willen en werken in ons binnenste, in ons hart wil bewerken.

Jesjoea zegt in Mattheüs 5:17 dat Hij niet is gekomen om de Thora op te heffen. Er zal zelfs geen titel of jota (jod of tag) uit de Thora verwijderd worden. Veelal is ten onrechte gedacht dat het ‘vervullen van de wet’ betekent dat niet die door Jesjoea vervuld is niet meer geldt. De vervulling ligt juist daarin, dat Hij de Thora volledig bekrachtigt en tot zijn doel heeft gebracht, namelijk in Hemzelf (Rom. 4:10).

Als Paulus dan vraagt: “Doen wij dan door het geloof de wet teniet?” is hij heel stellig: “Integendeel, wij bevestigen de Thora!” Rom. 3:31

Is de Thora echt eeuwig bindend?

Ondanks dat conservatieve en vooral orthodoxe Joden zeggen dat de Thora eeuwig bindend is (i.t.t. Reform of Liberale Joden), is er een traditie in het Judaïsme die zegt, dat als de Messias komt, Hij moeilijke vragen m.b.t. de Thora zal beantwoorden en een andere, dat Hij die zal wijzigen.[12] Welnu, wij geloven, dat Jesjoea inderdaad gekomen is, dat Hij sommige dingen nader heeft uitgelegd, zoals in de Bergrede en er toch wel iets veranderd is. Vergelijk de aanklacht van de valse getuigen tegen Stefanus in Hand. 6:13 “Deze man houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en tegen de wet, 14 want wij hebben hem horen zeggen dat die Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken en de gebruiken [=Mondelinge Thora] zal veranderen die Mozes ons overgeleverd heeft.”

De enige tekst die echt spreekt over een verandering van de wet is Hebreeën 7:12 ”Als het priesterschap verandert, vindt er immers ook noodzakelijkerwijs een verandering van de wet plaats”. De context maakt het overweldigend duidelijk, dat er geen verandering of transformatie in de Thora is, anders dan in verband met het priesterschap en het offersysteem. De term metathesis impliceert behoud van de basisstructuur van de Thora, met een herschikking (transformatie) van een aantal van zijn elementen; het impliceert niet het intrekken van ofwel de Thora als geheel of van mitswot, die niet verbonden zijn met het priesterschap en het offersysteem!
Een tweede noodzakelijke reden voor de ‘transformatie van de Thora’ is, dat het Levitische priesterschap opgezet door de Thora in de vorm die Mozes van God ontving, gebaseerd was op een regel betreffende fysieke afstamming van Levi’s zoon Gershon in het geval van cohaniem (priesters) in het algemeen, en van Gershons achterkleinzoon Aäron in het geval van de cohen gadol (hogepriester). Terwijl Pinchas, Aärons kleinzoon, “het verbond van een eeuwig priesterschap” werd gegeven, heeft Jesjoea zelf een eeuwig priesterschap door Melchi-Tzedek. Dit legt de noodzaak terzijde om het systeem van het priesterschap van generatie tot generatie door te geven zoals uitdrukkelijk in v. 23-25 wordt ​​verklaard.[13]

In Handelingen 21:20 lezen we over hoeveel joden er tot geloof waren gekomen. Maar dan staat erbij dat ze allemaal ijveraars voor de wet zijn. IJveraars betekent zeloten, mensen die zich zeer inzetten voor de wet. Hier is opmerkelijk dat in het Grieks een woord staat, dat ook in Openbaring staat, met dit verschil dat het in Openbaring wordt vertaald met tienduizenden en hier met duizenden, terwijl dit natuurlijk ook tienduizenden moet zijn. Ondertussen zegt dit wel iets over vooroordeel van de vertalers.

Als wij echter spreken over het houden van de Thora, waarvan Jezus zei dat geen tittel of jota zal vergaan, wil dat nog niet zeggen, dat alles in de Thora dezelfde eeuwigheidswaarde heeft. Zo is het verbond met Abraham, Izaäk en Jakob wel eeuwigdurend, doch het bloed-, cq. huwelijksverbond bij de Sinaï werd kort daarna verbroken, toen bij het maken van het gouden kalf, een zonde die zeer groot was. Doordat Mozes zijn leven (als prototype van de hogepriester) op het spel zette, bleef het volk gespaard, doch moest het daar jaarlijks wel aan herinnerd worden tijdens de Grote Verzoendag, middels erfelijke erfopvolging van de hogepriester, totdat de Messias als priester-koning de Orde van Melchizedek als een eeuwig priesterschap herstelt. Dat is precies de boodschap van de Hebreeënbrief en de reden dat we niet langer schuld- en zondoffers in de tempel brengen. Dat sluit echter niet uit, dat in een te herbouwen nieuwe tempel na de wederkomst van de Messias, er wel weer dankoffers gebracht zullen worden.

Het probleem met de mondelinge overlevering

6c Wij geloven met de Karaïten, niet in het gezag van de mondelinge overlevering, zoals is vastgelegd in het rabbinale Jodendom. Het is een gemengde zaak, waar veel geestelijk onderscheidingsvermogen voor nodig is en kennis van de historisch context.

Deze mondelinge leer, waarvan de rabbijnen beweren dat die teruggaat op Mozes, is uiteindelijk rond 200 na Christus vervat in de Misjna. Deze Misjna en het commentaar daarop, Gemara werd in de 6e eeuw de basis voor de Talmoed, waarvan twee versies bestaan, de Jeruzalemse en de Babylonische Talmoed.

Nehemia Gordon, een Karaïtische Jood groeide op in een Oost-Europees orthodox gezin, wiens vader een ultraorthodoxe rabbijn was. Als kind hoorde hij vaak discussies aan waarin rabbi A dit zei en rabbi B dat zei. Op de opmerking van hem, maar de Thora zegt toch…, kreeg hij een uitbrander. “Dat is de manier waarop Karaïten denken”. De Karaïten zijn een stroming, die in ieder geval teruggaat op de 8e eeuw. Gedurende de Middeleeuwen vormen ze ongeveer de helft van de Joodse bevolking in veel gebieden, waaronder Byzantium, Spanje en Egypte. In sommige gebieden waren Karaïten het grootste deel van de joodse bevolking, zoals in Jeruzalem (vóór de kruistochten) en de Krim. Er waren ook Karaïtische gemeenschappen in Marokko, Irak, Litouwen, Galicië, en Polen. Karaïten geloven in de goddelijke oorsprong en de autoriteit van de Tenach, doch verwerpen net als de Samaritanen de mondelinge overlevering, zoals vastgelegd in de Misjna en de Talmoed. 

Nergens komen de gevolgen van de takanot en ma’asim (menselijke religieuze overleveringen) sterker tot uiting dan in de rede van Jesjoea tegen de Farizeeën. Vooral na de herontdekking van een vertaling van Shem-Tov, dat op een Hebreeuws origineel teruggaat.[14]

Naar aanleiding van een verwijt dat de discipelen een overlevering van de ouden niet nakomen, namelijk het handen wassen voor het eten van brood, zegt Jesjoea in Mattheüs 15:1-9 tegen de Schriftgeleerden en de Farizeeën, dat zij door hun overleveringen het gebod van God juist overtreden:
15:1 Toen kwamen enige Schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden: 2 Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten. 3 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering? …9 tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.

Vergelijk echter het verschil met Mattheüs 23:1 Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen: 2 De Schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; 3 daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet naar hun werken, want zij zeggen het, maar doen het zelf niet. 4 Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren.

Is dit niet in tegenspraak met wat Jezus eerder zei in Mattheüs 15? Hoe kan Jezus die herhaaldelijk zei: “u is gezegd dat, docht ik zeg u…”, in Mattheüs 23, nu wel zeggen, dat wij in acht moeten nemen wat Schriftgeleerden en de Farizeeën ons leren?

Naar het vermoeden van een ‘joods-christelijke’ vriend, dat de vertaling van Mattheüs 23:2-3 niet juist kan zijn, ontdekte hij, op zoek naar manuscripten, Shem-Tov’s Hebreeuwse versie van Mattheüs[15], een bijlage uit een apologie tegen de Spaanse inquisitie in de Middeleeuwen. Hij las hierover in de studie van George Howard The Gospel of Matthew according to a Primitive Hebrew Text, die aantoonde dat in tegenstelling tot wat men lang gedacht heeft, nl. dat het hier om een Hebreeuwse vertaling uit het Grieks zou gaan, dat dit niet waar kon zijn, vooral gezien het aantal Hebraïsmen en woordspelingen. In deze versie, die wel op een Hebreeuws origineel moet teruggaan, blijkt dat in al onze vertalingen van Mattheüs 23:3 een cruciale fout zit: 
Jezus zei: ‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. 3 Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.

In plaats van “wat ze jullie zeggen” moet hier staan: “wat hij u zegt”. Daarmee wordt duidelijk, dat Jezus – net als de Karaïten – wel de Thora van Mozes handhaaft, zoals hij ook al in Mattheüs 5:17-19 zei, doch de mondelinge overlevering van de Schriftgeleerden en de farizeeën, hun hervormingen [takanot] en hun precedenten [ma’asim] verwerpt als leringen van mensen. (Mattheüs. 15:6)
De Shem-Tov Ibn Shaprut,[16] een 14e eeuwse Spaanse Jood, zegt niet “al wat zij u zeggen (urnth –yomru)”, doch “al wat hij u zegt (rnth –yomar)”, waarmee niet naar de Schriftgeleerden en Farizeeën wordt terugverwezen doch naar Mozes.

Door één letter verschil – een extra vav aan het eind van yomru -, krijgt deze zin een fundamenteel andere betekenis! Dit duidt erop dat de Griekse vertaler van het Hebreeuwse origineel een letter verkeerd gelezen heeft. Dit betekent dat er niet langer een tegenstelling is met Mattheüs 15, doordat Jezus de autoriteit van de Mozes handhaaft, doch de overlevering, die lering van mensen is, bekritiseert met zijn vraag: “Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering [takanot, traditie]?” en “tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn”, Jesaja 29:13 citerend. In het Grieks is dit een parafrase, doch in de Hebreeuwse versie een citaat!

Mattheüs 23:3 moet dus als volgt gelezen worden. “Daarom, al wat hij [Mozes] u zegt dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het;
En verder: maar doe niet naar hun hervormingen [takanot] en hun precedenten [ma’asim], want zij zeggen het, maar doen het zelf niet”.
De Hebreeuwse woorden takanot en ma’asim zijn geladen met betekenis. In het jargon van Farizeeën betekent takanot, zoiets als een wetsvoorstel, een hervorming die een Bijbelse wet wijzigt. De rabbijnen maken zelf het onderscheid tussen Bijbelse wetten en hun eigen bedachte wetten, die ze takanot noemen, in plaats van halakhoth. Ook het begrip ma’asim is jargon voor een bijzondere situatie waarin een Farizeeër geen wet kent en hij op zoek gaat naar een precedent van een van zijn leraren. Als hij zo’n bepaalde handeling verrichtte, moest dat iets zijn wat de Mondelinge Overlevering vereiste. Dit begrip is verankerd geraakt in de Talmoedische regel ma’aseh rav, ‘precedent is een leraar’.[17]
Vergelijk tenslotte ook de parallel met 2 Koningen 17:34 over de Samaritanen: Tot op deze dag toe doen zij overeenkomstig de vroegere handelswijze. Zij vrezen de HEERE niet en zij handelen niet naar hun verordeningen, naar hun bepalingen, naar de wet en naar het gebod dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf.

Jesjoea zei in feite dat zoals de Samaritanen van weleer, de Farizeeën hun eigen verordeningen en bepalingen hebben zie zij volgen, terwijl ze tegelijkertijd praten over de Thora, maar de Thora niet doen.

Op YouTube kunt u zelf het onderwijs van Nehemia Gordon hierover volgen en op Vimeo[18] een interview met hem beluisteren door Christine Darg over zijn boek The Hebrew Yeshua vs. The Greek Jesus. Inmiddels heeft hij nog drie boeiende en verrijkende studies geschreven: A prayer to our Father, His Hallowed name revealed again en Shattering the conspiracy of silence – the Hebrew power of the priestly blessing unleashed.

Ongetwijfeld is er nog veel meer te zeggen over hoe de mondelinge leer wel en niet te waarderen en over de consequenties van de positie van de Karaïten. Dat valt echter buiten het bestek van dit boek.
De klassiekers op het gebied van de mondelinge zijn Een historische inleiding op de Misjna van Maartje van Tijn (1988) en de Inleiding in de Talmoed (1980) van dr. J.L. Palache. 
Elie Wiesel schreef in 1958 Mijn liefde voor de Talmoed (vanaf 2005 in NL, 2015 nieuwe druk).
Roland Gradwohl schreef eveneens een inleiding in de “mondelinge traditie” van het Jodendom: Wat is de Talmoed? (1985), met een inleiding van Willem Zuidema.
Van de hand van Leo Mock verscheen in 2004 Surfen op de Zee van de Talmoed en in 2006 Zappen door de Talmoed.
Rabbijn mr. drs. Raphael Evers schreef het boek Talmoedisch denken (2013) over de methodologie van de Talmoed en de dertien interpretatieregels van Rabbi Jisjmaeel.
In 2008 verscheen voor het eerst in de geschiedenis een Nederlandse Talmoed-vertaling in druk. Nog niet de hele Talmoed, maar het eerste begin, Traktaat Berachot (Zegenspreuken), werd gemaakt door de Leeuwarder arts Jacob de Leeuwe (1950), een afstammeling van de Praagse geleerde rabbi Jehoeda Löw. In de serie Het geschenk van Jacob wordt de Talmoed op toegankelijke en nauwgezette wijze in het Nederlands vertaald, verklaard en toegelicht. Ook de commentaren van de grote Joodse geleerde Rasji zijn vertaald en door vertaler De Leeuwe van verklaringen voorzien. Traktaat Taäniet is 7 juni 2015 feestelijk gepresenteerd. Het traktaat Talmoed Taäniet (Vasten) is onderdeel van de Babylonische Talmoed en telt vier hoofdstukken. Uiteindelijk zullen het 200 delen worden, zo’n omvangrijk werk is de Talmoed. Voor de vorderingen van zijn vertaalproject, zie http://www.talmoed-online.nl.

Voor een kritische studie over het ontstaan van het rabbijnse jodendom, verwijzen we naar het boek van Daniel Gruber Rabbi Akiva’s Messias. Toen Vespasianus keizer werd, daarbij een voorzegging van rabbi Yochanan ben Zakkai vervullend, ontving deze het keizerlijke recht om een academie of rabbinale school te vestigen in Yavneh (Jamnia). Gedurende een bepaalde periode en door een serie listige manoeuvres verkreeg rabbi Akiva zeggenschap over die academie. Hij haatte Jezus hartstochtelijk en hij bewonderde Bar Kochba. Hij had één duidelijk doel voor ogen: het rabbijnse Judaïsme moest de complete controle krijgen over ieder aspect van het Joodse leven. Dat gebeurde natuurlijk niet zo gemakkelijk. Maar Akiva bereikte zijn doel door geduld. Dit proces wordt soms aangeduid als het concilie van Jamnia. Gruber zegt: Akiva’s oppositie [tegen de christenen] leidde hem ertoe om een nieuwe rabbijnse Griekse Bijbel te promoten en een rabbijnse, informele Targum [commentaar]. Het leidde hem er ook toe om de Farizeïsche traditie te veranderen. In zijn inspanningen om alle Joodse leven onder de rabbijnse autoriteit te brengen, was Akiva consequent en meedogenloos. Soms hield Akiva zich bewust aan bepaalde leerstukken alleen maar om het geloof van de [christenen] te bestrijden, zoals hij had gedaan in zijn strijd tegen Gamaliël…. Hij zette de mondelinge leer op schrift om zijn invloed tegenover de traditionele rabbijnen te vergroten.[19]

Tenslotte: de Jood en zijn Thora

Christenen die niettemin spreken alsof de Thora niet meer van toepassing is, moeten niet denken daarmee bij religieuze Joden aansluiting te vinden. Voor hen zijn Godvrezenden juist te herkennen aan hun respect voor de Thora. Precies zoals je dit ook bij Messiasbelijdende Joden tegenkomt, die daarom o.a. de sabbat houden, de Bijbelse feesten vieren en zich aan bepaalde spijswetten houden. Een mooie samenvatting vond ik in een artikel van Wim Verdouw[20]:
Jacobus noemt hem de ‘Koninklijke Wet’ (Jac.2:8), door Gods hoorbare stem gesproken (Ex.20:17; Deut.4:12-13), door Gods vinger geschreven op stenen tafelen (Ex.24:12; Ex.31:18), door Mozes in de ark des verbonds gelegd (Ex.40:20; 1Kon.8:9; Hebr.9:4), een volmaakte Wet die de ziel verkwikt (Ps.19:7), voor immer en altoos vastgesteld (Ps.11:8), door Jesjoea niet ontbonden maar bevestigd (Matt.5:17), ingesteld tot het verkrijgen van kennis van zonde (Rom.3:20; 7:7), zichtbaar geworden in de Tempel Gods die in de hemel is (Opb. 11:19) waarvan de Heilige Geest zegt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Jer. 31:33)

Nu zijn er sommigen die op basis van bijvoorbeeld Num. 15:16 zeggen dat er één Thora is voor iedereen. Daar staat namelijk: Voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen, geldt een en hetzelfde voorschrift en een en dezelfde regel. Een tekst als deze, kan zoals eigenlijk bij alle teksten, niet los gezien worden van zijn context. Net als in Leviticus 7:7 wordt dan duidelijk dat de uitdrukking thora achat (één thora) uitsluit, dat het zou gaan om de Thora als geheel. Het gaat hier om de juiste wijze van offeren: die is voor de vreemdeling (ger) hetzelfde als voor de Israëliet. En in de context van Lev. 24:21-22 gaat het erom, dat bij de rechtspraak dezelfde juridische procedure voor zowel de vreemdeling als de ingezetene wordt gebruikt.

Tegelijkertijd nemen gelovigen[21] soms aan dat de Thora van HaShem alleen voor Joden geldt en helemaal niet voor niet-Joodse discipelen. Zoals Toby Janicki het zegt: “Niets is verder van de waarheid. Ondanks het feit dat de apostelen de niet Joden “bevrijdden” van de teken-geboden,[22] zijn ze gebonden aan het grootste deel van de overige mitswot (regels) van de Thora. Benadrukt moet worden dat de heidenen in de Messias een status in het volk van God hebben en een Thora verantwoordelijkheid die ver uitstijgt boven die van de Godvrezenden bij de synagoge van toen en van de hedendaagse Noachiden (zonen van Noach). Door middel van Jesjoea zijn gelovige heidenen geënt in het volk van God en worden lid van het burgerschap Israëls. Hoewel het lidmaatschap zijn voorrechten heeft, heeft het ook zijn verplichtingen.”[23]

Literatuur

Ariel & D’vorah Berkowitz (1996) De Tora. Ontdek wat de eerste vijf boeken betekenen voor de gemeente en voor u. Gideon.

Nehemia Gordon (2006) The Hebrew Yeshua versus the Greek Jesus, Hilkia Press.

Derek Leman (2005) Paul didn’t eat pork – reappraising Paul the Pharisee, Mt Olive Press.

Esther Noordermeer (2013) Vrij van de Wet? – Een dogma onder vuur, Merweboek

Joseph Shulam (2010) Verborgen schatten, Shalom Books, geeft een uitleg van Pardes[24], de Joodse interpretatiemethoden van de Schriften in de eerste eeuw, een acroniem voor Pesjat, Remez, (mi)Drasj en Sod.


[1] http://www.yeshuahaTorah.com/wordpress/jeshua-de-Torah-de-vleesgeworden-Torah/

[2] Evert W. van der Poll, Israël, de gemeente en het verbond, Merweboek, 1988

[3] Zoals de Aleph cursus http://www.studiehuisreshiet.nl, de Kesjer-cursus http://www.cgi-holland.nl/cgi/?page_id=385 of de cursus Wortels van ons Geloof, http://www.cgi-holland.nl/cgi/?page_id=802

[4] Merweboek, Sliedrecht, 2013

[5] Http://www.torahresourcesinternational.info/aboutus.php

[6] Http://tartuffel.infoteur.nl/specials/tora-voor-christenen.html

[7] Medema, 2001

[8] Http://www.yeshuahatorah.com/wordpress/w-ouweneel-en-de-ogenschijnlijke-gestaltes-van-de-toch-eeuwige-torah/

[9] Messiasleren, p. 72

[10] Idem, p. 89-90

[11] Idem, p. 92

[12] JNT Commentary, p. 240-243

[13] JNT Commentary, p. 681

[14] http://www.scribd.com/doc/62926694/Gospel-of-Matthew-According-to-a-Primitive-Hebrew-Text-by-George-Howard#scribd

[15] http://www.hebrewyeshua.com/hebrew_yeshua_book.html

[16] The Gospel of Matthew according to a Primitive Hebrew Text”, George Howard, Mercer University Press 2005

[17] Voor een video teaching bekijk Raiders of the Lost BookDiscoveries in the Ancient Hebrew Text of Matthew’s Gospel

[18] https://vimeo.com/10890944

[19] Daniel Gruber, Rabbi Akiba’s Messiah: The Origins of Rabbinic Authority, Elijah Publishing, 1999, pp 153, 109. Geciteerd in http://kiel0.home.xs4all.nl/septuagint_masoreten.htm#_edn12

[20] Http://www.immanuel-gemeente.nl/documents/ GENADE_is_geen_vrijbief_tot_Wetsverachting_A4.pdf

[21] Vgl. De Joodse wet als vervuld in tweede testament, Parakleet 88, 23e jrg. 4e kwartaal 2003 en Gelden de Joodse wetten en gebruiken ook voor christenen, beide van John L. Karsten, bijbelleraar en voorganger VPE te Zeist.

[22] Zie stelling 7.

[23] Op de website van messiaanshetlevendwater.be kunt u complete vertaling vinden van zijn boek God-fearers, waaraan Jack van de Tang van Radio Israël in de winter van 2016 hele serie heeft geweid: http://radioisrael.nl/index.php/radio/uitzending-gemist/serie/17-godvrezenden

[24] http://www.yashanet.com/studies/revstudy/pardes.htm